01/09/2026
Daar staat-ie met z'n handen in zijn zij.
Ogen die doden. "En ik ga het niet doen."
Zijn hele lijf staat op scherp. Zijn zenuwstelsel heeft de rode knop gevonden en denkt blijkbaar: nu of nooit, ontploffen maar.
Dat allemaal vanwege een schaafplek. Een schaafplek waar, heel eerlijk gezegd, gewoon even een pleister op moet. Gevallen met z'n nieuwe fiets. "Die fiets is stom. Hij laat mij vallen en nu ben ik kapot."
Tja, daar valt weinig tegenin te brengen. Een fiets die je laat vallen, verdient natuurlijk ontslag.
Zijn wond schoonmaken lukt mij alleen met een sproeier. Geen aanraking. Dan doe ik iets wat ik al duizend keer heb gedaan. Ik geef hem een kus op zijn haar. Een tút van mem. Precies dát is teveel.
Ik wéét het zo goed. Mijn automatisme van de troostende leeuwin neemt het over. Want ik heb lief. Ik wil zorgen. Ik wil verzachten wat pijn doet.
Ik probeer zijn grenzen te respecteren. Ik blijf. Ondertussen slik ik mijn eigen gekwetstheid in. Niet omdat zijn gedrag mij niets doet. Integendeel. Ik onthou; "hierachter zit z'n geschiedenis."
Hij loopt van binnen vast. Vertelt niet met woorden wat er aan de hand is. Soms lukt het zijn lijf met boosheid of stokstaartje spelen.
Zijn nieuwe fiets krijgt ineens de schuld van alles wat er ooit mis is gegaan. Hij schiet terug in wat zijn lijf ooit leerde. Mem kan verdwijnen, net als vele anderen. Nabijheid is niet gewoon.
Hoezo ik mag pijn hebben en veilig zijn?
Niks daarvan. Liever stoer, onafhankelijk. Op deze manier damt hij gevoelens in. Is zijn controle raadgever.
Hij kwam niet bij ons wonen met een koffer:" Ik vertrouw jou." Was 't maar waar. Nee zijn hele zenuwstelsel zegt: "Eerst maar eens zien."
Daar zit de rauwe pijn van de liefdevol tút Ik weet dat ik blijf. Ik weet óók dat een schaafplek met pleister niet levensbedreigend is.
Vandaag is hij 't even kwijt. Mijn liefde gumt oude ervaringen niet uit. Een tút overschrijft de geschiedenis niet.
Was liefdevolle aandacht maar een zapper. Dan had ik 'm aan sinterklaas gevraagd.
Helaas zo werkt het niet. Veiligheid bied je aan om hem het van binnen te ervaren.
Op zo'n moment helpt maar één ding.
Een kopje water! Ik sta, zonder preek, nippent tegen het aanrecht.
Langzaam zakt de storm in zijn lijf.
Hij pakt zijn water.
Mijn standje:"niet reageren, vrouw" mag uit.
Hij haalt zijn schouders op niet bij machte 't gesprek te beginnen.
Ik kijk 'm aan:" Ik wil sorry zeggen want ik was even vergeten dat jij memmetúten niet fijn vindt bij pijn en schrik."
Hij lijkt schuin omhoog. "Ja ik ben al twaalf.
Ik hoef geen pleister meer. Ik doe mijn korte broek aan. Dan droogt het bloed op en is t klaar."
Het enige pedagogische wat zin heeft verlaat mijn mond:" Ik vind het een top idee, kerel!"
Trots denderd hij in korte broek de trap af.
Zijn hoofd verdwijnt even tegen mijn borst. "Jij bent lief."
Heel even durft ie te voelen:"ik ben veilig."
Hij zwaait naar me en verdwijnt naar de fiets; "ik ga weer!"
En mem? Die leert; Het begint 't met water en een ingeslikte memmetút.