12/06/2026
Vanuit het Leijpark reizen we samen af naar het grote rijk der fabelen. Dit rijk is oneindig zo u weet en tal van verhalen buitelen er thans over elkaar; verhalen die ooit als waarheid werden gezien. Dit rijk wordt tot op de dag van vandaag nog voortdurend aangevuld, maar we gaan even naar een oud verhaal dat zich wortelt in de 17e eeuw: de signatuurleer.
Deze theorie ging ervan uit dat de vorm, kleur of standplaats van een kruid verraadde voor welk deel van het lichaam haar ‘geneeskracht’ gold. Ik zet geneeskracht tussen aanhalingstekens, omdat deze vaak aan een plant werd toegeschreven juist op basis van gestelde theorie, zonder enige vorm van wetenschappelijk of homeopathisch bewijs. Had een plant rode bloemen, dan werkte behandeling van de kwaal met deze bloemen ten gunste van de bloedsomloop. Kon de plant doorheen verharde rivierklei groeien, dan kon de plant ook vastzittend slijm oplossen. Afijn, u begrijpt het idee.
Nu kwamen we in het Leijpark een plant tegen die in die tijd onder de signatuurleer viel: Akkerkool. En niet zozeer om de standplaats; Akkerkool draagt die naam ten onrechte. Akkerkool groeit veel minder op akkers dan op grond tussen bebouwing. Daar waar een schuurtje was gepland en de grond ervoor was bewerkt, daar sproot lustig Akkerkool op. En ook niet om haar gele bloemen, juist terwijl geel geassocieerd werd met de longen, daar geelzucht een bekende longziekte was. Nee, Akkerkool werd in de volksmond tepelkruid genoemd. Blijkbaar doen de bloemen denken aan tepels. En met tepels was nogal eens iets mis; zeker als de boreling verkeerd aan zijn melkvoorraadje was aangelegd. Dan ontstonden er namelijk tepelkloven, kleine scheurtjes en wondjes in de tepel zelf of eromheen in de tepelhof. Dat was pijnlijk voor de moeder, dus werd er van de bloemen van dit tepelkruid een papje gemaakt dat middels een kompres (een zachte doek gedoopt in dit papje) op de tepels werd gelegd. Alleen al de zachte doek zal soelaas hebben gegeven, maar wat Akkerkool daaraan bijdroeg valt te bezien. Het volksgeloof werd nog eens aangewakkerd door het witte melksap dat door de stengel van Akkerkool stroomt. In feite dient melksap als een soort stollingsmiddel. Daar waar de plant is aangevreten ontstaat een wondje en melksap zorgt ervoor dat het wondje snel dicht gaat en heelt. Maar het witte sap werd onmiddellijk in verband gebracht met moedermelk en zo wint een theorie als de signatuurleer enkel in kracht.
In het Leijpark staat de plant met haar lieflijke gele bloemen ten hemel te groeien. De plant kan ruim een meter hoog worden en bovenin vertakt Akkerkool zich. Het wonderlijke van Akkerkool is het feit dat de bloemen enkel open zijn in de ochtendzon. De koperen ploert kan de blommekes in de middag en avond niet bekoren en als het regent dan blijven de bloemen dicht. Soms zien we een verdikking in de stengel van Akkerkool. Dit is een reactie op de akkerkoolgalwesp, een klein wespje dat een eitje legt in de stengel. De plant reageert hierop met een verdikking, waarbinnen het kleine wespenlarfje blijft en voldoende eten vindt. Zo voorkomt het kruid dat het larfje de rest van de plant op eet. Steenhommels (die zwarte hommels met een rood kontje) en tal van zweefvliegen komen ondertussen nectar en stuifmeel snoepen uit de botergele bloemetjes.
Er is een tijd geweest waarin Akkerkool gekweekt werd, om haar malse blaadjes en om haar vitaminen. Akkerkool is rijk aan vitamine A en C. De kweekvorm was veel meer vertakt dan de wilde vorm die we terugvinden in het Leijpark. Het is eigenlijk een best vreemde geschiedenis: eerst kweekt men Akkerkool op grote schaal op de akkers. Dat gaat honderden jaren prima, tot de Moren spinazie introduceren in onze contreien. Spinazie heeft veel grotere bladeren, dus meer opbrengst, dus meer winst. En de Akkerkool wordt ineens gezien als onkruid en massaal bestreden, volledig afgedaan en afgedankt. Zo gaat de mens soms om met haar leefomgeving: “Het was leuk, maar we hebben nu iets dat meer opbrengt: Houdoe en bedankt!”
In het Leijpark vindt Akkerkool een nieuwe haven, want ‘onderwaardering van schoonheid’ is een eigenschap waar het Leijpark volledig van gespeend is.
08/06/2026
In het Leijpark treffen we een insect aan dat ons inzicht geeft in de wijze waarop insecten omgaan met de elementen en in het bijzonder de warmte en het licht. Ze is een lieveheersbeestje, maar niet met het klassieke roodzwarte patroon, zoals dit zovele soorten kenmerkt. Een rood of zwart schild met rode of zwarte stippen; die combinatie zien we het vaakst.
En dan is daar het Roomvleklieveheersbeestje. De kever is oranjebruin tot kastanjebruin met witte vlekken. En al die vlekkenpatronen hebben een functie. We weten dat donkere kleuren warmte aantrekken. Trek maar eens midden in de zomer een zwart t-shirt aan in plaats van een wit en ziet: u heeft het veel eerder warm. Zo werkt het ook bij lieveheersbeestjes. Zij hebben vaak de rode kleur, in hun schilden of in hun stippen, ter waarschuwing. Zij ‘zeggen’ hiermee tegen roofdieren: “Pas op, wij zijn giftig”. Het zwart heeft echter een ander doel: opwarmen.
Lieveheersbeestjes zijn, zoals alle insecten, koudbloedig. Dit houdt in dat zij, als zij willen bewegen (om te jagen, te eten of te paren) eerst op temperatuur moeten komen. Dit doen zij middels het zonlicht. Zij gaan zonnebaden. En naarmate de zon draait (of feitelijk de Aarde natuurlijk) draaien de lieveheersbeestjes met de stand van de zon mee. De zwarte delen van hun vlekkenpatroon zorgen ervoor dat zij snel opwarmen en dus snel aan de slag kunnen. Deze donkere delen hebben echter een prijs: in de zomer blijft de zon vaak branden en een lieveheersbeestje kan oververhit raken. Zij dient dan de schaduw op te zoeken. Hun prooidieren, bladluizen, weten dit. Bladluizen planten zich sneller voort in het zonlicht, dus alle verliezen door vraat van lieveheersbeestjes worden in minder dan geen tijd weer goedgemaakt, op het moment dat de verzengende zon de lieveheersbeestjes de schaduw in dwingt. Zo blijven beide groepen op peil.
Het Roomvleklieveheersbeestje echter heeft wel die oranjebruine dekschilden waarmee zij roofdieren op afstand houdt, maar in plaats van rode of zwarte vlekken, zijn de hare wit; meer bepaald roomwit. Wat is het idee daarachter of is het een afwijking?
Het is wel een afwijking, maar niet iedere afwijking is een fout. In het geval van het Roomvleklieveheersbeestje is haar vlekkenpatroon een strategie. U moet zich voorstellen: bijna alle lieveheersbeestjes voeden zich met bladluizen. En bladluizen maken, zoals we net konden lezen, gebruik van het sterke zonlicht om een einde te maken aan de vraatzucht van hun vijanden. De uitzondering hierop vormt het Roomvleklieveheersbeestje. De kever heeft veel langer nodig om warm te worden, omdat ze de tint zwart in haar kleurenpatroon mist. Dat gezegd hebbende: Door haar roomwitte vlekken kan zij veel beter tegen het zonlicht, daar wit het zonlicht reflecteert. Zij kan doorgaan met het eten van bladluizen daar, waar haar concurrenten allang teruggetrokken zijn in het schimmenrijk. Ze begint alleen later, maar zij haalt de schade ruimschoots in.
Waarom zien we eigenlijk niet vaak een Roomvleklieveheersbeestje? Omdat zij daar bladluizen kan eten waar deze vaker in de volle zon zitten: boven in bomen. Op de parkbodem en laag struikgewas zijn veel schaduwen en zonlicht heeft moeite er door te dringen. Hoe hoger de vegetatie is, des te meer zonlicht deze vangt en daar zijn natuurlijk ook bladluizen en: het Roomvleklieveheersbeestje. Met haar veertien roomwitte stippen kan zij heel wat zonlicht reflecteren en ondertussen gewoon door eten.
En zo kent iedere soort een eigen specialisme waarin iets opgeofferd wordt om iets anders te verkrijgen.
Leijpark-fotograaf Henk de Winter legde dit Roomvleklieveheersbeestje vast op de gevoelige plaat. De kever staat op het punt om op de vleugels te gaan. Op, naar hogere oorden waar de maaltijd wacht in het volle licht…
07/06/2026
Beestenboel van 19 mei t/m 7 juni 2026
06/06/2026
Drie op een rij
6 juni 2026
04/06/2026
Er loopt een snoodaard in het Leijpark, die we niet meteen herkennen als kever. Van de gemiddelde kever weten we namelijk dat zij schilden heeft, daaraan herkennen we ook kevers. Dit dier is echter langgerekt en we zien niet meteen de zo kenmerkende schilden. En toch is het een kever, meer bepaald de Stinkende kortschildkever. Het insect heeft wel degelijk schilden, zij het heel erg kleine. En onder die schildjes liggen de vleugels zeer compact opgevouwen, want zoals alle kevers kan het dier op de wieken gaan. Zij is zelfs een erg goede vlieger, die lange afstanden kan overbruggen.
Maar waarom dan die korte schilden? Zij zijn onderdeel van de overlevingstactieken van de kever. Zij doet namelijk net alsof zij iets heel anders is dan een onschuldige kever: zij speelt (in geval van nood) dat zij een schorpioen is.
Wanneer zij bedreigd wordt krult zij haar achterlijf over haar lichaam heen, zoals een schorpioen zijn staart over het lijf krult. ‘Paniek’ denken roofdieren (en ook wij mensen), daar de schorpioen in de staart een gemene gifstekel heeft. En ziet: we nemen afstand. De geopende kaken van de Stinkende kortschildkever maken het plaatje compleet; ze lijken op de scharen van een schorpioen. In werkelijkheid heeft de kever helemaal geen venijn in het achterlijf, maar wat niet weet, wat niet deert. Had zij nu grote stevige schilden gehad, dan kon zij haar achterlijf niet omhoog krullen. Kleine schilden bieden hier uitkomst.
Mocht het allemaal toch niet helpen, dan komt deel twee van haar verdediging op de proppen: zij stinkt. Zij heeft dan wel geen gif in de staart, maar wel kan zij een vloeistof naar haar aanvaller sp***en die eruitziet als melk en onnoemlijk stinkt. De geur van rottend vlees komt ineens op je af gesproeid. Nou, dan wil je wel achteruit wijken! En mocht een aanvaller hardleers zijn en toch te dichtbij komen, dan kan de Stinkende kortschildkever ook nog eens flink bijten. Haar beet is pijnlijk, maar niet giftig. Maar schrikken is het wel. Allerlei mechanismen om roofdieren en te nieuwsgierige mensen op afstand te houden.
Waarom zou je deze excentriekeling in je tuin of park willen hebben? Wel, de kever eet slakken en vliegenmaden en is daarmee een nuttig insect. Ook eet zij wel planten als deze half vergaan zijn.
Nu zou je denken dat de Stinkende kortschildkever weinig vijanden heeft, maar er is een dier in het Leijpark met een dikke huid, waar de beet niet snel doorheen komt en de stinkende vloeistof niet in doordringt: de pad. Padden zien de wereld in drie delen: Iets groter dan zijzelf is een vijand, iets van gelijke grootte een sekspartner en iets dat kleiner is, is eetbaar. Een simpele edoch best wel effectieve wijze van in het leven staan nietwaar? Zij verorberen menige Stinkende kortschildkever en haar larven. Die larven zijn geduchte roofdieren die hetzelfde menu hebben als hun ouders en ook die schorpioenachtige dreighouding aan kunnen nemen. Ze missen alleen wel de vleugels.
Het is een raadsel hoe de Stinkende kortschildkever overgegaan is tot het imiteren van de schorpioen, aangezien er in onze contreien geen schorpioenen leven. Toch moet dit gedrag ergens in een ver verleden gekopieerd zijn en als succesvol gedrag gebleven zijn. Wellicht komt de kever oorspronkelijk uit zuidelijkere delen van Europa; in Frankrijk leven schorpioenen en deze kevers naast elkaar.
En zo kwam ons landje aan haar eigen ‘schorpioen’, die eigenlijk niets anders doet dan alles en iedereen in de maling nemen. Zolang het werkt, gaat zij hiermee door. En elke dag bewijst zij dit: Jan en alleman stinkt er in!
31/05/2026
We hebben reeds een aantal insecten langs zien komen die zich bedienen van gif of felle kleuren om zichzelf te verdedigen of flink van zich af bijten of zelfs steken. Maar zoals altijd doet iedere soort het op zijn eigen manier. Zo troffen we in het Leijpark een kever aan behorend tot de grote familie der boktorren: de Gewone bloesemboktor.
Normaliter vinden we echte boktorren (geen smalboktorren of schijnboktorren) aan in de bossen. De Gewone bloesemboktor echter is een soort die het heerlijk vindt in de steden en laat zich veelvuldig bewonderen in parken en tuinen. ‘Bewonderen’ is overigens relatief; de soort is hoofdzakelijk zwart met een beetje bruin. Geen fraaie felle kleuren, geen wonderlijk strepen- of stippenpatroon. Feitelijk een vrij saai insect om naar te kijken. Maar zoals we gewend zijn gebeurt in de natuur niets zonder reden. De Gewone bloesemboktor voedt zich met nectar en stuifmeel van planten met grote bloesemschermen, zoals vuurdoorn, meidoorn en berenklauw. Zodra ze de bloemenschermen in duikt of elders in dergelijke struiken een schuilplaats zoekt is ze door haar donkere kleuren nagenoeg onzichtbaar. U moet zich voorstellen: het struikgewas is een voortdurend schimmenspel waar licht en schaduwen elkaar in rap tempo afwisselen. Een plant is niet een stilstaand wezen. Toegegeven, ze zal niet gauw aan de wandel gaan. Haar bladeren echter bewegen zich voortdurend naar het licht toe. De andere zijde van het blad komt dan in de schaduw terecht, doch aangezien de zon draait (of feitelijk de Aarde) is er voortdurend zon en schaduw op allerlei plekken. De Gewone bloesemboktor kan dus overal wegduiken en in eender welke schaduwplek onzichtbaar worden.
Nu kan het ook zo zijn dat een Gewone bloesemboktor in volle vlucht belaagd wordt door een roofdier, vaak een vogel die wel een gifloos kevertje lust. En een vogel vlieg je er niet zomaar uit. De Gewone bloesemboktor is een relatief langzame vlieger. Dit vormt overigens geen probleem voor de kever, want ze heeft een formidabele wijze om aan haar belagers te ontkomen: Ze laat zich vallen. Alsof ze in volle vlucht plotseling sterft, stort zij ter aarde. Haar gewicht is laag en de wrijving met de lucht remt haar val af. Zodra ze de grond raakt werkt haar harde buitenkant als een schokdemper zodat haar weke delen, haar hart, haar darmen, ademhalingsbuizen en hersenen schadevrij blijven. Eenmaal op de grond kruipt zij snel weg in de eerder benoemde wereld van licht en schaduwen.
De Gewone bloesemboktor is het grootste deel van haar leven een larve, die leeft in de dode takken van vlieren, eiken en hazelaars. Maandenlang leeft de larve in de binnenbast. De binnenbast is de levensader van bomen, langs dit kanaal worden suikers naar alle delen van de boom getransporteerd. Zodra de boom of tak sterft zit deze binnenbast nog vol met voedingsstoffen die opgepeuzeld worden door de larven, vooral in de herfst en winter. Begin mei maken de larven een kamertje in de dode taken waarin ze zich verpoppen en na enkele weken komen de volwassen kevers uit het hout tevoorschijn. Tot augustus vliegen de volwassen kevers rond, eten paren en sterven vervolgens. Maar niet nadat zij hun eitjes afgezet hebben onder de schors van dode loofbomen. En zo begint het opnieuw.
Deze kleine boktor is waarschijnlijk de meest voorkomende boktor in ons land, maar of we haar vaak tegenkomen is een tweede. Leijpark-fotograaf Henk de Winter vond een Gewone bloesemboktor in het Leijpark, die overigens niet helemaal buiten gevaar is, omdat er vlakbij haar een renspin verdekt zit opgesteld. Tijd om zich te laten vallen nietwaar? Zo niet dan is het kostje van de spin dit keer zeker gekocht.
27/05/2026
Het fraaie van het Leijpark is het feit dat planten daar terechtkomen, niet enkel door het aanplantbeleid van de gemeente of door alles wat de wind en dieren meeslepen, maar dat ook wij, de bezoekers van het Leijpark, van alles in het Leijpark zetten. Dat kan allerlei redenen hebben: een plant doet het thuis niet meer zo goed, we moeten plaatsmaken voor een andere plant, we gunnen de plant in kwestie een plekje in het fraaie park of de plant staat daar ter nagedachtenis aan een verloren geliefde of als herinnering aan iets of iemand. Hoe dan ook: hoe fraai was het toen we ineens de Tuinverbena tegenkwamen in het Leijpark? Met haar prachtige felrode bloemen een plant waar je niet omheen kunt kijken. De plant heet ook wel de Peruaanse verbena en is in onze contreien een sierplant. En nu kunnen we denken: Tsja, een simpele potplant, wat moeten we daar nu mee? Edoch: Wat bij ons een kamerplant is, heeft in haar land van herkomst veel meer en diepere betekenissen dan bij ons. Via de vele verhalen uit de plantenwereld komen we terecht in dat thuisland: Bolivia. Nee, niet Peru. Ondanks haar naam komt de plant helemaal niet voor in Peru. Even uitleggen: Veel soorten verbena komen wel uit Peru en omdat de plant aanvankelijk werd aangezien voor een soort uit de weegbreefamilie en men er pas veel later achterkwam dat dit ook een verbenasoort is, heeft men gedacht dat ze dan ook uit Peru afkomstig moet zijn. Fout: de soort vinden we terug in het land dat we de bijnaam ‘Dak van Zuid-Amerika’ hebben gegeven, vanwege haar hoge pieken van het Andesgebergte: Bolivia.
Nu vinden we in die streken een verschijnsel dat we niet als zodanig kennen in het Westen: de schrikziekte. Dit verschijnsel vindt plaats als iemand zich werkelijk wezenloos schrikt. Dit kan door een nachtmerrie komen. Dit kan komen als iemand uitglijdt in de bergen en dreigt honderden meters naar beneden te vallen of het moment waarop er ineens een jaguar voor je neus staat. Dat soort momenten kunnen, volgens de Zuid-Amerikanen veroorzaken dat je ziel (tijdelijk) je lichaam verlaat. En een lichaam zonder ziel wordt ziek, vermoeid, depressief. Wij gaan met klachten naar de dokter of psycholoog (of homeopaat), in die contreien komt men al snel uit bij de sjamaan. Dit is een soort spiritueel genezer die in contact staat met de geestenwereld. Dat is mooi, want een ziel zonder lichaam voegt zich bij andere geesten. Doorgaans gebeurt dit pas bij het overlijden, maar de schrikziekte kan de ziel ook doen vluchten. De sjamaan keert met het slachtoffer terug naar de plek van het trauma en daar middels rituelen, wordt de zielswereld aangesproken om desbetreffende ziel terug te sturen naar waar hij of zij vandaan komt. Eenmaal terug wordt de ziel verenigd met het lichaam waarna een periode van rust en acceptatie volgt. Tuinverbena wordt gebruikt om het lichaam schoon te vegen van negatieve energieën die de schrik vasthouden. Als de schrik eenmaal verdwenen is, kan de ziel ongestoord terugkeren naar haar zielloze eigenaar.
Een heel ritueel dus, dat wij wellicht als zodanig niet kennen of toepassen, maar dat ons wel vertelt dat schrik universeel is en dat elke cultuur er anders mee omgaat. En wellicht heeft de plant op ons wel eenzelfde helende werking. Ik kan slechts voor mezelf spreken, maar haar aanzien schenkt me rust en vrolijkheid. Geen schrik. Ik kan met een gerust hart naast haar plaatsnemen en toekijken hoe vele vlinders komen snoepen van deze rijke nectarbron. Of fantaseren waarom de plant daar staat en wegdwalen in gedachten, fijne gedachten vol herinneringen van mezelf.
Alles in het Leijpark heeft een verhaal, een geschiedenis. Elke dag biedt nieuwe verwondering en in het Leijpark kan men datgene doen waar men zeker de ziel voor nodig heeft: zielsgelukkig zijn. Onze sjamaan heet: Leijpark!