17/08/2026
17 augustus 2026
't Leijpark; een begrip in Tilburg. Een groene long waar de stad trots op mag zijn, divers en uniek
17/08/2026
17 augustus 2026
15/08/2026
Ondanks de piek in de nazomer en herfst, heeft de paddenstoelenwereld ook vertegenwoordigers in de zomer. Eén van de eerste paddenstoelen met steel en hoed die zich laat zien is de parelamaniet. Een eetbare paddenstoel die onder de grond samenwerkt met de wortels van bomen, zowel naaldbomen (spar en lariks) als loofbomen (eik en beuk). De boomwortels geven suikers aan de zwammen, terwijl de lange schimmeldraden van de parelamaniet mineralen uit diepen grondlagen haalt en deze aan de boomwortels schenkt. Uiteraard is het levensgevaarlijk om sommige paddenstoelen te eten en omdat er verwarring op kan treden met de zwaar giftige panteramaniet is het zwaar af te raden om deze soort in de paddenstoelenrisotto te verwerken.
Waar ik het met u vandaag over wil hebben is echter niet het leven, dan wel de dood van de parelamaniet. Op het moment waarop haar vruchtlichaam haar sporen heeft verspreid door het Leijpark en ze eigenlijk overbodig is geworden, komt haar opruimer ten tonele: Knopschimmel. Deze schimmel is uiteraard verre familie van de parelamaniet, daar zij beiden tot het grote schimmelrijk behoren. Doch de parelamaniet is een zogeheten hogere schimmel, terwijl de knopschimmel tot de lagere schimmels behoort. Lagere schimmels bestaan uit lange draden, die beginnen als een soort pluisje en dan draden maken die gaan woekeren. Hogere schimmels hebben een vruchtlichaam, een hoed met steel, een zakvormig lichaam, enkel een hoed, een bolvormig lijf). De hogere schimmels zijn er met vele meer, maar alleen al in ons land leven toch meer dan honderd van die lagere schimmels. En vaak hoeven we hen niet ver te zoeken; laat maar eens een brood buiten de broodtrommel liggen. Na een paar dagen hebben de sporen van de broodschimmel haar gevonden en ontstaan die typische groene plekken die ons ertoe noodzaken om het brood in de vuilnisbak te gooien. We vinden dat vies, maar in feite wordt het brood gewoon verslonden door een organisme dat er eerder bij was dan wij.
Met de parelamaniet gaat het ook zo. Eenmaal oud is zij kwetsbaar voor de Knopschimmel en deze vormt in minder dan geen tijd lange witte draden op haar die eruit zien als haar, wellicht zelfs als we er met slechts één oog naar kijken verwaaid hondenhaar. Niets is minder waar.
Voor de fetisjisten (of anderszins geïnteresseerden) onder ons: Knopschimmel is de eerste schimmel waarbij seks werd waargenomen. Nu moet ik meteen erbij vertellen dat schimmelseks nu niet bepaald spannend is. Knopschimmel heeft namelijk seks met zichzelf. Ze laat simpelweg twee schimmeldraden elkaar raken. Elke afzonderlijke schimmeldraad heeft een celkern. En vruchtbare seks is niet meer dan het versmelten van twee celkernen nietwaar? Die twee versmolten draden vormen vervolgens piepkleine sporen die weer elders op een stervende paddenstoel kunnen ontkiemen. Voor het zover is, voor de spore een nieuwe gastheer heeft gevonden trotseert zij als het moet extreme vorst of droogte. Om ooit, weer ergens anders een vette edoch stervende hoed van een paddenstoel te vinden en aan de maaltijd te beginnen.
Ze zeggen weleens: “Enkel de mens schaadt zijn eigen soort en familie”. Vergeet het maar; in de planten- dieren- en schimmelwereld vreet alles elkaar op als de gelegenheid zich voordoet. In het geval van de parelamaniet is het niet erg. De Knopschimmel veroorzaakt rot in de hoed en steel en dat is precies de bedoeling. Zo verliezen de schimmeldraden van de parelamaniet geen energie meer aan een paddenstoel die toch geen sporen meer heeft. Het zal overigens niet in de bedoeling van de Knopschimmel liggen om te ‘helpen’, zij doet dit onwetende wel.
Wat we steeds maar weer mogen zien in het Leijpark zijn kleine werelden in een grote wereld die het Leijpark heet. Deze kleine werelden bekampen, voeden en omarmen elkaar, net naar gelang de organismen die erin leven. Het is immer eten of gegeten worden, immer leven en ook steeds het sterven. De grote wereld sterft echter niet, zij behelst ontelbare microwereldjes waarin van alles gebeurt. Of je rondwandelt in een sprookjesboek dat zichzelf nog elke dag schrijft. Daar kunnen de gebroeders Grimm nog een puntje aan zu**en.
13/08/2026
13 augustus 2026
11/08/2026
Om een organisme dat op uniek wijze leeft in het Leijpark te kunnen begrijpen, gaan we eerst naar een andere groep kijken: de rondwormen. Het woord ‘wormen’ duidt op veel verschillende wezens die eigenlijk niet zoveel met elkaar te maken hebben, maar met elkaar delen dat zij beschikken over een slangachtig lichaam, een mond en een a**s. Een groepje van die rondwormen is werkelijk microscopisch klein en heeft een doel voor ogen: het eten van paddenstoelen. Ze zijn er over het algemeen heel goed in, maar zoals altijd in het Leijpark kan men ook de verkeerde tegenkomen. En die ‘verkeerde’ is in dit geval: het Kaal dwergoortje.
Deze paddenstoel is zelf klein, hooguit een halve centimeter in doorsnee, het hoedje dan en zij hecht zich op een unieke manier aan dood loofhout. Veel paddenstoelen met een hoedje hebben ook een steeltje, maar het Kaal dwergoortje niet. Ze is echt welhaast een menselijk oortje om te zien en door het ontbrekende steeltje hecht zij zich met haar hoedje aan het hout, meestal dode takken waar zij met schimmeldraden suikers uithaalt. Door het ontbindingsproces komen de suikers in het hout vrij en het Kaal dwergoortje maakt daar maar wat graag gebruik van.
Edoch: in de parkbodem en in het hout sluipen kleine snoodaards dichterbij, onzichtbaar voor het menselijk oog, immer op jacht naar kwetsbare zwammen die geen kant op kunnen. Het Kaal dwergoortje heeft een probleem, doordat zij zich vrijwel uitsluitend voedt met het dode hout van els en wilg: zij mist de toevoer van stikstof. Veel organismen hebben stikstof nodig als bouwstof. Nu bevat dood hout wel stikstof, zij het zeer weinig. Het zal ergens anders vandaan moeten komen, maar zoals al gezegd: het Kaal dwergoortje kan niet aan de wandel gaan. Gelukkig komt de rover naar haar toe, om daar als het te laat is te ondervinden dat zij niet de rover, doch de prooi is. De Rondwormen kruipen dichterbij in de veronderstelling dat er heerlijke paddenstoelengelei op het menu staat, waarop ze plots overvallen worden door lange schimmeldraden die hen vasthouden, vervolgens doorboren en als laatste leegzu**en. De dierlijke eiwitten en ook het DNA van de rondwormen hebben stikstof als vaste bouwstof; precies waar het Kaal dwergoortje zo’n behoefte aan heeft. Ze wekt dus de indruk dat ze prima kan leven van dood organisch materiaal, maar is ondertussen een ongeziene vleeseter.
Ze is een plaatjeszwam, met zogeheten lamellen, de schijfjes die men onderaan haar hoedje ziet. Daarin zitten haar witte sporen die ze verspreid over de parkbodem. Deze sporen zijn piepklein, slechts een duizendste van een millimeter. Zo’n open hoedje onder aan een tak geeft de wind alle kans om de minuscule spoortjes mee te nemen. Eenmaal neergedwarreld op een dode wilgen- of elzentak, ontstaat er eerst een kleine schimmeldraad, deze vormt een wirwar aan draden en uiteindelijk komen hieruit nieuwe hoedjes tevoorschijn. Klaar om lieflijk onschuldig te lijken en tegelijkertijd klaar om te jagen op wandelende stikstofbronnen.
Zo is er immer strijd in het Leijpark, vaak aan onze blik onttrokken maar wel degelijk bloedserieus. We zeggen weleens: ‘De muren hebben oren’. In het Leijpark echter kunnen de takken er ook wat van!
09/08/2026
9 augustus 2026
07/08/2026
Don Quichot heeft Sancho Panza, Batman heeft Robin, Sherlock Holmes heeft dokter Watson en de Griekse god van de wijn Dyonisos heeft Silenus. En hoewel alle hierboven staande figuren een bepaalde charme hebben, gaan we het vandaag hebben over Silenus, de trouwe metgezel en ook leermeester van Dyonisos (ook Bacchus geheten). Dit wezen was half mens, half paard en wordt vaak afgebeeld met paardenoren. De gelijkenis met een paard beperkte zich echter niet tot zijn oren. Dat had een reden. In de Griekse mythologie worden helden uitgebeeld (letterlijk) met een klein geslachtsdeel. Wezens die dat niet hadden, wezens met erecties van heb ik jou daar, waren monsters, barbaren of verkrachters. Silenus was uiteraard een soort monster, zij het een blij monster, daar hij altijd stomdronken was. Het is hierom dat hij vaak uitgebeeld word zittend op een ezel (te lam om te lopen), met een gevaarte tussen de benen en met een hele dikke buik. En die buik, daar is het ons om te doen. We kwamen namelijk een plant tegen in het Leijpark die vernoemd is naar onze Silenus: de Blaassilene. De bloemen vormen een blaasje en deze bloemen lijken de hele dag door te bloeien.
Maar de plant heeft een trucje; pas in de avond en nacht begint Blaassilene een heerlijk zoete geur te verspreiden, met de bedoeling om nachtvlinders aan te trekken. Nu zal elke nachtvlinder welkom zijn, maar Blaassilene is eigenlijk uit op een aparte groep: de silene-uilen. Binnen de nachtvlinders bestaan er families en één ervan, de grootste, heet ‘uilen’, genoemd naar de nachtelijke vogels. Ook de uilen (de nachtvlinders) zijn voor het overgrote deel in de nacht actief. Binnen de uilen vinden we specialisten die een bepaalde groep bloemen op het oog hebben. En de Blaassilene kan rekenen op de komst, in ons land, van maar liefst zeven verschillende soorten silene-uilen. Deze nachtvlinders gebruiken de plant om er hun eitjes op te leggen en hun rupsen te voeden met de bladeren. Dat is het offer waartoe de plant bereid is, om tegelijkertijd door de volwassen vlinders bevlogen te worden en de plant aan hen stuifmeel mee kan geven om zo tot voortplanting te komen met andere Blaassilenes.
Van de Griekse mythologie gaan we naar de Romeinse; hier treffen we de godin Minerva aan, de godin van de wijsheid en de kunsten. Vroeger was het te doen gebruikelijk om culturele uitgaansgelegenheden te noemen naar Romeinse en Griekse goden, zodat de plek meer aanzien kreeg. Vandaar de naam van bioscoopketen Minerva, die in 2010 overgenomen werd door Pathé. Een stukje geschiedenis aan het Pieter Vreedeplein.
Terug naar onze godin: Ze had naar verluidt een uil. Deze uil was een steenuil, een kleine uil die leeft van insecten. Om het dier voedsel te kunnen geven had de godin een jongeman aangewezen om vliegen voor de vogel te vangen. De jongen echter viel tijdens zijn werkzaamheden in slaap. Verbolgen over dit plichtsverzuim veranderde zij hem in een Blaassilene. Zijn opzwellende borst tijdens zijn nachtelijk gesnurk staat symbool voor de bolle vorm van de bloemen en (later ook) de zaden. Zoals de Blaassilene in de nacht actief is, zou ook de jongen actief hebben moeten zijn en zich niet hebben overgegeven aan de slaap. Zo stelde Minerva met de betovering een voorbeeld voor andere luie jongemannen.
Blaassilene is in onze contreien een zogeheten vergeten groente. Vroeger werden zowel de bladeren als de bloemen gegeten; ze bevatten vitaminen A, B en C en smaken ietwat nootachtig. Wij eten allang geen Blaassilene meer, maar in Italië is dat anders, daar wordt de plant nog verkocht onder de naam stridolo en wordt daar nog wel degelijk genuttigd.
In het Leijpark zien we slechts de plant, niet haar nachtelijke bezoekers daar wij dan reeds op één oor liggen. Het geeft wel te denken welke bezoekers van het Leijpark, die de nacht als domein hebben, nooit voor de lens zullen verschijnen en waarschijnlijk dronken van nachtelijke nectar overdag ergens goed verborgen in het gebladerte rusten. Overigens niet zo dronken als Silenus; er kan er slechts één de zatste zijn..
05/08/2026
5 augustus 2026
03/08/2026
Zo af en toe komen we een organisme tegen in het Leijpark waarvan we niet meteen weten wat het is, terwijl de naam, als we deze eenmaal kennen ook de nodige verwarring oplevert. Dat vraagt om een nadere inspectie! Om maar meteen de sprong in het diepe te wagen: In het park komen we dit diertje tegen: het Menierood zuringspitsmuisje. Dat het diertje menierood is, is duidelijk. De kleur van de grondverf menie, oranjebruin, herkennen we onmiddellijk. Het is echter geen spitsmuisje. Een spitsmuis is een zoogdier, een insecteneter en dit dier is zelf een insect. Echter: door de vorm van de kop die veel weg heeft van de kop van de echte spitsmuis, wordt dit diertje ook ‘spitsmuisje’ genoemd. De spitsmuisjes vormen zelfs een aparte familie binnen de snuitkevers, met maar liefst meer dan tachtig soorten alleen al in ons land. Dat zijn een hoop ‘spitsmuisjes’!
Dit kleine insect, hooguit vier millimeter groot, richt zich geheel op zuring om aan eten te komen. Nu zijn er gelukkig een aantal soorten zuring aanwezig in het Leijpark, zoals ridderzuring, veldzuring en schapenzuring. De kevertjes boren met hun snuitje ronde gaatjes in de bladeren en zu**en het binnenste van het blad op. Bij warm weer duiken ze naar de onderzijde van het lover en boren en zu**en daar vrolijk verder. De kop van het diertje bestaat uit talloze kleine putjes; het vormt een soort pantser dat de kop sterker maakt. Blad is sterk en het is best wel een inspanning om daar in te boren en zeker voor een dergelijk klein insect. Het koppantser en de snuit samen vormen een soort drilboor helemaal gemaakt voor deze klus.
Als het vrouwtje eitjes heeft, verschuift zij van de bladeren naar de stengels en bladstelen. Wederom boort zij een g*t, deponeert de eitjes er in en zodra de witte larfjes uitkomen voeden zij zich met de binnenzijde van de stengels. Op aangetaste zuring zien we vele gaatjes en bladeren gaan uiteindelijk verwelken.
Nu heeft het Menierood zuringspitsmuisje uiteraard ook vijanden. Talloze vogels, kikkers en roofkevers eten kleine kevertjes zoals ons ‘spitsmuisje’. Om zich te verweren vertrouwt het diertje op zijn rode kleur. Rood is een waarschuwingskleur in de natuur die zoveel betekent als ‘ik ben giftig’. In werkelijkheid is dit niet zo, maar je kunt maar een roofdier voor de gek houden nietwaar? Nu is echter niet elk roofdier van gisteren en onder het motto de aanhouder wint, zal het Menierood soms toch nog belaagd worden. Dan trekt het kevertje echter zijn troefkaart uit de mouw: het diertje laat zich vallen. Eenmaal op de grond trekt het de poten en de zuigsnuit strak langs en tegen het lijf, waardoor hij niet veel meer is dan een ovale vorm. Hij is ‘veranderd’ in een za**je. Veel zaden van planten hebben een dergelijk vorm en roofdieren willen een kevertje, geen za**je. Zodra het roofdier in kwestie het gevallen kevertje gaat zoeken, vindt zij slechts een rood za**je op de bodem van het Leijpark. Jammer, het spitsmuisje is verdwenen! Maar zodra de rover in kwestie de plaat poetst, krijgt het ‘za**je’ ineens weer pootjes en komt er een spits snuitje tevoorschijn. Gefopt! En het diertje, dat overigens uitstekend kan vliegen, klimt weer naar boven. Hij gebruikt de vleugels vooral om nieuwe zuringsoorten te zoeken.
Zo is er van alles gaande in het struikgewas, altijd, in elk hoekje en gaatje. We zien lang niet alles, maar het is een gekrakeel van jewelste, waar anders dan: in het Leijpark.
01/08/2026
1 augustus 2026
30/07/2026
Het Leijpark kent veel eikenbomen. En een eik is op zichzelf reeds fascinerend, maar ook een leefwereld voor allerlei andere dieren. Denk bijvoorbeeld aan de eikenprocessierups en de vele houtduiven, gaaien en eekhoorns die eikels komen eten. Maar niet enkel de vruchten van de eik zijn in trek, ook diens bladeren. Zo leeft er op de eiken in het Leijpark een wonderlijk insect: de Gele viervlekwants. Het diertje doet welzeker haar naam eer aan, ze heeft duidelijk vier gele vlekken. Die vlekken, in sterk contrast met het zwart eromheen, waarschuwen roofdieren. In het zonlicht is het contrast van grote afstand zichtbaar en roofdieren weten instinctief dat iets dat geelzwart gekleurd is kan steken of een vieze smaak heeft. Dat laatste is het geval bij de Gele viervlekwants. Ze heeft geen giftige beet of steek, maar ze maakt een vies goedje aan dat een roofdier in de bek of snavel kan krijgen en dan meteen genezen is van het eten van de Gele viervlekwants. Bovendien imiteert de wants de kleuren van wespen, die wel degelijk een fikse steek in huis hebben. De volwassen dieren leven op en rond eiken waar ze jagen op allerlei kleine diertjes, zoals de bij eiken horende eikenbladluis. Verder dan de eik hoeft de Gele viervlekwants het niet te zoeken. Haar larven staan echter wel voor een probleem, zij hebben niet de mogelijkheid om al vliegende te vluchten, zoals hun ouders. Om nu te voorkomen dat de larven massaal worden opgegeten, heeft de natuur een wonderlijke truc bedacht. De larve van de Gele viervlekwants ziet eruit als een mier. En niet enkel qua uiterlijk; de larve loopt zelfs als een mier, met de typische korte momentjes van stilstaan erbij.
Waarom nu een mier? Een mier is een nietig insect dat zo maar door kan gaan als smakelijk hapje toch? Nu is dat deels waar, maar roofdieren die met mieren in contact zijn gekomen, kunnen eveneens contact gemaakt hebben met het bijtende mierenzuur, dat mieren gebruiken ter verdediging. Bovendien zal een mier die aangevallen wordt en in de buurt van de kolonie is, vrijwel meteen worden bijgestaan door andere mieren en miersoldaten die beschikken over nog meer zuur en flink kunnen bijten. Van alle ervaringen met mieren leren vogels. Het lijken op een mier zal een aantal roofdieren afschrikken. Daarnaast heeft ook de larve de geelzwarte afschrikkingskleuren en ook zij kunnen een smerig goedje op hun vijanden sprayen. Genoeg wapens in huis dus om niet direct opgegeten te worden.
In de lente sproeien de vrouwtjes een heel ander goedje de lucht in, namelijk een zeer aantrekkelijke geur voor mannetjes. Mannetjes vliegen rond eikenbomen om deze geur op te vangen, terwijl de vrouwtjes zitten te wachten bij de katjes van de eik. We associëren ‘katjes’ vaak met wilgen, maar ook de eik heeft katjes; pluimpjes die vol kleine onopvallende bloemetjes zitten. Die bloemetjes wachten niet op insecten, maar op de wind. De eik is een zogenaamde windbestuiver waar windvlagen het stuifmeel meenemen en elders op de stampers en stempels van vrouwelijke eikenbloemen neer laten dwarrelen.
Het mannetje van de Gele viervlekwants kan er niet zomaar ‘opduiken’. Zo werkt dat bij ons ook niet. Het mannetje landt naast het vrouwtje en begint haar lieflijk te strelen, met zijn antennes en voorpoten. Als ze overstag gaat, mag hij paren met haar. Na een tijdje legt het vrouwtje eitjes in de groeven van de eikenbast. Die eitjes zullen de winter gaan trotseren en in de lente pas een nieuwe generatie van de Gele viervlekwants gaan vormen.
Er gebeurt ontzettend veel, alleen al op en rond eiken. Alleen al daarom zijn bomen zo belangrijk voor het Leijpark; zij herbergen werelden die op zichzelf staan. De Gele viervlekwants heeft aan een enkele eik genoeg om geboren te worden, te eten, te slapen, te paren en te sterven. Zolang het Leijpark haar bomen koestert, dragen zij er de rest van het leven.